Het beeldlichaam
Als werker in de gezondheidszorg wordt je voortdurend geconfronteerd met het lichaam van patiënten.Die confrontatie brengt onomkoombaar onze eigen lichamelijkheid ter sprake en wat daar bij hoort, lichamelijke klachten, ziekte en dood.Wat echter het lichaam is is een vraag die door zijn vanzelfsprekendheid vrijwel nooit gesteld wordt en wordt door velen ervaren als een open deur intrappen.Het aan de orde stellen van vanzelfsprekendheden heeft echter in de geschiedenis van de mens steeds een vernieuwende functie gehad.Het lijkt daarom de moeite waard die vraag opnieuw aan de orde te stellen om ons een nieuwe invalshoek te verschaffen, die ons werk kan verdiepen.
Standpunten t.o.v. het lichaam
Hoe wij ons lichaam ervaren hangt voor een belangrijk deel af van de verhouding die we tot ons lichaam hebben.Ga je tegenover je lichaam staan dan ervaar je je lichaam anders dan wanneer je er mee samenvalt.Deze tweevoudige houding t.o.v. het lichaam geeft een geheel andere opvatting van lichamelijkheid weer.Een opvatting die we kunnen karakteriseren als het
“Objectieve versus het subjectieve lichaam”
Het feit dat we de koptitel het objectieve versus het subjectieve lichaam genoemd hebben, zoals dat in de rechtspraak gebruikelijk is geeft al aan dat de situatie t.a.v. ons onderwerp in onze cultuur de aard van een controverse heeft. Deze controverse komt hierop neer dat uitsluitend datgene wat ofwel uiterlijk waarneembaar dan wel met instrumenten meetbaar is als lichamelijk aan te merken valt. Die observaties aan het lichaam die deze karakteristiek niet hebben zijn niet serieus te nemen. Dit is de karakteristiek van wat we noemen het objectieve lichaam. Innerlijke gewaarwordingen en belevingen zijn subjectief en worden veelal niet serieus genomen. Dit heeft tot consequentie dat men in de medische wetenschap het verhaal van de patiënt minder van waarde acht dan de objectief te constateren verschijnselen.
Wat we ons lichaam noemen is op het eerste gezicht zeer duidelijk. Niettemin is het antwoord op deze vraag minder duidelijk dan je op het eerste gezicht zou verwachten. Het antwoord op die vraag hangt nl. af van de soort vraag die we stellen aan het lichaam. Zo is een foto van iemand een ander antwoord op de vraag naar zijn/haar lichamelijkheid dan een röntgenfoto of thermografie. Niettemin verschilt deze vraag aan het lichaam niet wezenlijk van de vraag die iemand stelt door met zijn handen rondom het lichaam te voelen naar energie. De vraag is even rechtmatig, het antwoord echter een geheel andere.
Ons lichaam functioneert het beste als we ons daarmee niet bemoeien en als ons lichaam goed functioneert dan ervaren we het ook niet. Sterker nog als we ons lichaam ervaren, op enigerlei wijze, dan is er iets loos.Op simpele wijze wordt ons dat duidelijk als we honger, dorst of vermoeidheid ervaren. Hier nu zien we het belang van een participerende houding t.o.v. ons lichaam. Voor een opponerende strategie is het voldoende tekorten aan te vullen.We zouden b.v. astronautenvoedsel kunnen eten of vitaminetabletten. Om efficiëntieredenen is een vitamine C tablet verre te prefereren boven een sinasappel. Waarom eet je die sinasappel dan toch? Om dezelfde reden zou je kunnen zeggen dat als je wilt weten hoe het met je familie gaat een e-mailtje voldoende is. Waarom wil je je familie dan bezoeken? Een algemene conclusie is dat de participerende houding naar je lichaam een rijkere ervaring oplevert die in geval het positief is tot genieten leidt. We moeten echter ook zeggen dat de participerende houding t.o.v.ons lichaam ons ook de pijn laat voelen. Het leidt m.a.w. ook tot lijden.
Contact met ons lichaam betekent ook dicht bij datgene zijn dat we het onderbewuste noemen. Vaak “weet “ons lichaam eerder dan wij dat er in een situatie iets niet in orde is en reageert daarop met veranderingen die we gewaar kunnen worden, mits we contact hebben met ons lichaam.
Vragen aan het lichaam
Het lichaam verschijnt niet alleen verschillend op grond van het standpunt of positie dat we innemen, maar ook door de vragen die we er aan stellen. Zo stellen een fotograaf, een kunstschilder, een anatoom en een röntgenoloog steeds andere vragen aan het objectieve lichaam. Al naar gelang de vraag laat het lichaam zich op een andere wijze zien. Daarmee is het lichaam niet een vaststaand, eenduidig gegeven, maar een weergave van het lichaam.Eenzelfde situatie ontstaat als we vragen gaan stellen aan het subjectieve lichaam. Ook daar blijken verschillende weergaven van het lichaam tot stand te komen o.g.v. de vraag die we stellen.
Het beeldlichaam
Het subjectieve lichaam is het lichaam zoals wij dat van binnenuit ervaren. We hebben geen lichaam, maar zijn een lichaam. We gebruiken het woord subjectieve lichaam om aan te geven dat het bestaat uit een fluctuerend veld van gewaarwordingen, bewegingen en beelden. Dit geheel van belevingen en ervaringen vormen de toegangspoort tot wat ik het beeldlichaam of om het vloeibaarder en vluchtiger karakter droomlichaam noem. Al deze vormen zijn uitingen van een grotere en ruimere identiteit dan het ons bekende dagelijkse, bewuste ik. We zouden dat ten opzichte van ons dagelijkse ikje, het Zelf kunnen noemen. Het Zelf is de bron van regulerende, informerende en transformerende processen, zodat we het ook de innerlijke therapeut kunnen noemen. Om het droomlichaam te bestuderen moeten we het toestaan zich te laten zien en te manifesteren. Het is echter zo dat een rationele,intellectuele houding of vragen de manifestaties van het droomlichaam onderdrukt of frustreert, precies zoals een kritische, beoordelende blik iemands spontane gedrag remt. Eveneens is het niet mogelijk op de “gewone” wijze naar symptomen en klachten kijken, omdat de droomlichaamservaring vernietigd wordt door de poging het in collectieve definities te vangen. Het droomlichaam kan niet als een computer geprogrammeerd worden om ons de antwoorden te verschaffen waar het bewustzijn in geïnteresseerd is. Het droomlichaam leert ons over zichzelf zodra het individu er serieuze aandacht aan begint te besteden.
Complementaire geneeskunde
Als het woord complementair ergens enige inhoud heeft dan is het wel rond het begrip lichaam. Hoewel de objectieve lichamelijkheid er gemakkelijk toe leidt dat we ons lichaam laten onteigenen en manipuleren, moeten we bedenken dat deze opvatting zeer wenselijk is bij een operatie. Aan de andere kant stuiten we op problemen als we de patiënt tot een andere houding rondom leefgewoonten, dieet of geneesmiddeleninname willen bewegen als we de patiënt niet leren in contact met de eigen lichamelijkheid te komen. Vandaar dat hier niet gepleit wordt voor een afwijzing van de objectieve lichamelijkheid dan wel de subjectieve lichamelijkheid, maar om een integratieve benadering, waarbij beide standpunten elkaar aanvullen.
