Achtergrond en uitgangspunten
"Similia similibus curentur" ofwel het gelijksoortige wordt door het gelijksoortige bestreden: er moet een gelijkenis bestaan tussen het te behandelen ziektebeeld en het intoxicatiebeeld van het te kiezen geneesmiddel.
Het blijkt, dat niet zozeer het gewicht, als wel de zuiverheid van de stof, de bewerking ervan en vooral ook de gevoeligheid van de patiënt, het effect van het geneesmiddel bepalen. Geneesmiddelen die in grote doses op gezonde mensen een zekere inwerking hebben, hebben op zieke organismen reeds hun effect in een zeer geringe dosering. In de klassieke homeopathie gebruikt men geneesmiddelen, die tijdens de bereiding een aantal malen afwisselend verdund en geschud zijn (potentiëring).
Bepaalde personen, herkenbaar aan hun totaal aan psychische en lichamelijke klachten, hebben affiniteit tot een zeer specifiek homeopatisch geneesmiddel. Op grond van deze overeenkomsten zegt men dat deze mensen tot een bepaald contitutietype behoren, aangeduid met de naam van het geneesmiddel. Constitutiemiddelen zijn vooral van belang bij chronische ziekten, waarvan de symptomatologie als een sterk individuele uiting van de patiënt wordt beschouwd.
Onder klassieke homeopathie wordt een duidelijk omschreven methode van werken verstaan. Deze is door Hahnemann in zijn standaardwerk "Organon der Geneeskunde" beschreven. De methode kan gekarakteriseerd worden als een fenomenologische methode, waarbij een geneesmiddel voorgeschreven wordt op basis van een hoogst individueel ziektebeeld, dat gebaseerd is op exacte en nauwkeurige waarnemingen van de symptomen van de patiënt. Hahnemann hield zich bijvoorbeeld streng aan het toedienen van één "geindividualiseerd" geneesmiddel.
